Koninklijk besluit van 16 januari 2002

Koninklijk besluit van 16 januari 2002 tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot sommige overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid

(Belgisch Staatsblad van 6 februari 2002)

[gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 2004 (Belgisch Staatsblad van 27 december 2004) en bij het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)]

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "wet": de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.

Art. 2.

Het netwerk bedoeld in artikel 2, eerste lid, 9°, van de wet wordt uitgebreid tot de overheidsdiensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en de openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die onder de Gemeenschappen en Gewesten ressorteren, [indien zij daarom verzoeken en hun verzoek door het Beheerscomité van de Kruispuntbank wordt ingewilligd, na beraadslaging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité bedoeld in artikel 37 van de wet, voor zover hun opdrachten betrekking hebben op één of meerdere van de volgende aangelegenheden en zij voor het uitvoeren van die opdrachten systematisch behoefte hebben aan persoonsgegevens van instellingen van sociale zekerheid of van instanties die beschikken over persoonsgegevens die door de Kruispuntbank, door middel van een geïntegreerde dienst, ter beschikking worden gesteld samen met persoonsgegevens beheerd door instellingen van sociale zekerheid of door personen waartoe het geheel of een deel van de rechten en plichten voortvloeiend uit de wet en haar uitvoeringsbesluiten werden uitgebreid – gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)

1° de sociale vorming, de sociale promotie en de beroepsomscholing en -bijscholing;

2° de arbeidsbemiddeling;

3° de programma’s voor wedertewerkstelling van de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen of van de daarmee gelijkgestelde personen;

4° de toepassing van de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten;

[5° het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen, de verstrekkingen van geestelijke gezondheidszorg in de verplegingsinrichtingen buiten de ziekenhuizen, de zorgverstrekkingen in oudereninstellingen, met inbegrip van de geïsoleerde geriatriediensten, en de zorgverstrekkingen in geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie; – vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)];

6° de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg;

7° het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen;

8° het beleid inzake maatschappelijk welzijn;

9° het beleid inzake mindervaliden, met inbegrip van de beroepsopleiding, de omscholing en de herscholing van mindervaliden;

10° het bejaardenbeleid;

11° het jeugdbeleid en de jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming;

12° de sociale huisvesting;

[13°     het onderwijs;

14°      de permanente opvoeding, de voorschoolse vorming in de peutertuinen en de post- en parascolaire, artistieke, intellectuele, morele en sociale vorming;

15°      het beleid inzake onthaal en integratie van inwijkelingen;

16°      de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale reïntegratie;

17°      de bescherming van het leefmilieu;

18°      het afvalstoffenbeleid;

19°      de waterproductie en watervoorziening;

20°      de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit;

21°      de openbare gasdistributie;

22°      het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer;

23°      het ondersteunen en begeleiden van overheidsdiensten en openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid bij het verwezenlijken van projecten inzake administratieve vereenvoudiging, e-government en informatie- en communicatietechnologie;

24°      de gezinsbijslagen. – ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)]

Art. 3.

§ 1. [De artikelen 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 20, 24, 25, 26, 28, 34, 46 en 53 van de wet – gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)], en de in uitvoering van deze artikelen genomen besluiten, zijn van toepassing op de tot het netwerk behorende overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten.

[Onverminderd het eerste lid is het artikel 5 van de wet bijkomend van toepassing op de tot het netwerk behorende overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten voor zover hun opdrachten betrekking hebben op één of meerdere van de aangelegenheden bedoeld in artikel 2, 1°, 2°, 3°, 4°, 7°, 8°, 9°, 10°, 13°, 15° en 24°. – ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)]

§ 2. Voor de toepassing van § 1:

1° worden de tot het netwerk behorende overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten gelijkgesteld met instellingen van sociale zekerheid;

2° worden de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de tot het netwerk behorende overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten gelijkgesteld met sociale gegevens;

3° wordt de uitvoering van de opdrachten van de tot het netwerk behorende overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten gelijkgesteld met de toepassing van de sociale zekerheid.

Art. 4.

Het in artikel 2 bedoeld verzoek bevat tenminste volgende elementen:

1° een nominatieve aanduiding van de overheidsdienst of de openbare instelling die het verzoek indient;

[2°       een aanduiding van het feit dat de overheidsdienst of de openbare instelling die het verzoek indient toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen heeft;

3°         een aanduiding van het feit dat de overheidsdienst of de openbare instelling die het verzoek indient het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen mag gebruiken; – vervangen bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)]

4° een aanduiding van de identiteit van [de functionaris voor gegevensbescherming – gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)] aangewezen met toepassing van artikel 24 van de wet;

5° in voorkomend geval, een aanduiding van de identiteit van [de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg – gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 september 2019 (Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2019)], aangewezen met toepassing van artikel 26 van de wet.

Art. 5.

Onze Minister van Werkgelegenheid, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en Onze Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.